Voor het laatst bijgewerkt op: 27-06-2003
    ‘NECRAFOLOOG!’ Als een donderslag kraakte het woord door
de lucht. De menigte verzameld rondom de magistrale Hoger Keag-rho-Santor herhaalde
de kreet die hij zojuist geslaakt had. Op dat teken zette de klarinet, die als
enige in staat was deze melodie in een haast klagelijke zang om te zetten, de
eerste maten in van dit reeds zeer oude muziekstuk, geschreven in de vroege
jaren van een zeer getalenteerd en later groot muzikant en componist.
    Enigszins verwijderd van de groep stond ik samen met een
goede vriend van mij. Op het moment dat de klarinet zijn klagelijk lied inzette,
vroeg ik aan mijn metgezel: ‘Midder Aram, wat betekent dit woord, want het lijkt
op geen enkel woord dat ik ken?’ Aram, minstens twee keer zo oud als ik zelf,
antwoordde zacht: ‘Dit woord stamt uit de oude taal van de magistrale Hogers,
Ziburan, en is een van de weinige woorden uit die taal die nog regelmatig gebruikt
worden, al is het dan alleen op plechtige gelegenheden als deze. Het eerste
deel van het woord stamt af van een magistraal Hoger woord dat iets betekent
als de gestorvene en het tweede deel heeft wat te maken met woorden. De combinatie
van deze twee woorden geeft het woord Necrafoloog dat gezien moet worden als
het door middel van een lied leiden van de ziel van de gestorvene naar de juiste
plaats. Ik ben er echter nog steeds niet achter welke plaats hiermee bedoeld
wordt, dat valt buiten de kennis van de Midders en als ik juist ben ingelicht,
valt het ook buiten de kennis van de Hogers. Alleen de magistrale Hogers weten
welke plaats dit is. Luister maar eens hoe betoverend dit woordenloze en daarom
ook juist veel woorden bevattende lied is.’
    Tot het einde toe luisterden we verder zwijgend naar de
geestleidende muziek die tegelijkertijd dramatisch, melancholiek en klagend
is en paradoxaal genoeg ook op de een of andere manier vrolijk klinkt. Zelfs
de levenden werden enigszins in een roes gespeeld door de betoverende noten.
Toen het lied ten einde was, ging de grote groep heen. Alleen Keag-rho-Santor,
de magistrale Hoger, bleef achter, magische bezweringen prevelend, opdat naast
de geest ook het lichaam de juiste koers gaat volgen, want het lichaam is in
wezen één met de geest. En als de geest het lichaam verlaat, neemt het daar
als het ware een klein deel van mee op zijn reis. Wat er dan nog overblijft,
is een leeg omhulsel dat aan de aarde wordt teruggegeven als dank voor het bestaan.
    Eenmaal weer thuis kon ik aan niets anders denken dan aan
de plechtigheid van die middag, die de eerste aardegift was die ik in mijn nog
jonge leven meemaakte. Zoals gewoonlijk kwamen er allerlei vragen in me op.
Waarheen gaat de ziel van de gestorvene? Hoe heeft ooit iemand de NECRAFOLOOG
kunnen componeren, want daarvoor is het nodig de weg te kennen die door de ziel
gevolgd moet worden. Wat gebeurt er als je het rijk der levenden verlaat? In
mijn bekendenkring was er waarschijnlijk niemand die de antwoorden op deze vragen
wist. Reeds vaker had ik dit soort vragen gehad en niemand die me ermee had
kunnen helpen. Vervuld van de aardegift van die middag, kroop ik ‘s avonds in
mijn bed, waar ik vermoeid door alle gebeurtenissen al spoedig door een diepe
slaap overmand werd. Pas de volgende morgen werd ik wakker, weer geheel fris.
    Die morgen gaf mijn moeder mij opdracht om de geiten op
de Selle te gaan voeren. De Selle was een gemeenschappelijk terrein net buiten
de woongemeenschap Maltor, op ongeveer 3 fregan van hun woonverblijf, waar alle
huisvee gehuisvest was. Met grote tegenzin gaf ik gehoor aan mijn moeders opdracht,
want de geiten voeren was nu niet direct mijn meest favoriete tijdbesteding.
Allereerst lagen de gronden van de familie helemaal in het midden van de Selle,
omdat onze familie nu eenmaal een van de oudste was in Maltor. Om onze grond
te bereiken was het nodig eerst over zo’n 50 hekken van andere eigenaren op
de Selle klimmen. Bovendien hield het voeren van de geiten ook in dat het hok
en de voerbakken uitgemest werden, een werkje waar je niet echt schoner van
werd. Om van de stank nog maar te zwijgen.
    Dat ik toch zonder tegenstribbelen ging, was te wijten aan
het feit dat ik geen ruzie met mijn vader wilde, met wie ik toch al zo makkelijk
ruzie had om het minste of geringste, al was het maar omdat zijn denkbeelden
totaal niet overeenkwamen met de mijne of omdat ik mijn eigen slaapruimte te
ver liet verslonzen, dus zeker wanneer ik mijn opgedragen huistaken niet zou
vervullen. Eenmaal aangekomen op de Selle joeg ik alle geiten uit het hok en
begon snel doch secuur het hok en de voerbakken schoon te maken. Nieuw strooisel
op de grond en de voerbakken weer gevuld. Dit smerige klusje probeerde ik altijd
zo snel mogelijk te klaren, maar zo vlot als vandaag was ik nog nooit geweest.
De reden hierachter was dat ik zo snel mogelijk naar mijn geheime schuilplaats
wilde om daar eens rustig te overdenken wat er de afgelopen tijd allemaal gebeurd
was: mijn beste vrienden vertrokken en de aardegift van gisteren.
    Veel vrienden had ik nooit gehad. In mijn jeugd waren er
maar een paar jongens geweest waarmee ik zeer goed bevriend was geraakt. We
deden steevast alles samen, hadden altijd veel lol en bijna nooit ruzie, totdat
de dag kwam dat hun ouders hun heil wilden gaan zoeken in een andere woongemeenschap.
En zo vertrok Bareelo naar de kust, naar de havenwoongemeenschap Malport, waar
zijn vader een nieuw bestaan wilde opbouwen als koopman. Enige maanden later
vertrok ook Lawritaff. Hij reisde af met onbekende bestemming landinwaarts in
de richting van het Spadaveegha gebergte. Bareelo, Lawritaff en ik hadden al
op 12-jarige leeftijd eeuwige trouw en vriendschap gezworen. Het feit dat we
nu van elkaar gescheiden werden, veranderde niets daaraan. De Zibala zoals we
onszelf noemden, was iets dat zou blijven bestaan tot de tijd dat er nog maar
één van ons in leven zou zijn. En zelfs dán nog zal de band voortbestaan die
ons tijdens het leven aan elkaar bond.
    Onmiddellijk na de voltooiing van mijn taak, verliet ik
weg uit de Selle. Ik keerde echter niet terug naar Maltor, maar ging precies
de tegenovergestelde richting op. Buiten de Selle verliet ik zo snel als mogelijk
was het pad en ging verder door het struikgewas zonder noemenswaardig veel meer
lawaai te maken dan wanneer ik op het pad had gelopen. Door veel oefenen had
ik mij namelijk de kunst meester gemaakt om bijna geruisloos door struikgewas
voort te bewegen. Zo kon ik bijna alles en iedereen besluipen zonder dat ik
opgemerkt zou worden. Na zo’n 12 fregan kwam ik aan bij het Overstruikwoud.
    Om deze geschiedenissen goed te kunnen begrijpen, is het
nodig dat ik, vooral in het begin, wat uitweid over de geografie van de omgeving.
Zoals ik al verteld heb, leefde ik toendertijd in de woongemeenschap Maltor,
die deel uitmaakte van het land Fagonta. In het landschap van Fagonta was een
groot plateau, de Stratagan, waar de magistrale Hogers woonden. Dit was ook
de plaats waar de aardegiften plaatsvonden. Deze werden uitgevoerd bij de aardval,
die kant van de Stratagan die steil afliep naar het vlakke gedeelte van Fagonta.
Dit deel van Fagonta was zeer moeilijk begaanbaar vanwege de vele bomen, struiken
en rotsen. Daarom werd dit terrein, het Overstruikwoud, door de meeste mensen
gemeden, maar niet door mij die al van jongs af aan in het gebied ronddwaalde;
ik kende het grootste deel van het Overstruikwoud op mijn duimpje. Overal tussen
struiken en rotsen had ik schuilplaatsen waar ik onopgemerkt de omgeving in
de gaten kon houden. De schuilplaatsen gebruikte ik veelvuldig om de dieren
die zich in het gebied bevonden te observeren.
    Bij sommige van de grotere rotsformaties waren kleine spelonken
ontstaan als gevolg van uitslijping door stromend water van kleine beekjes die
overal in die wildernis voorkwamen. Ik had enkele van deze spelonken met elkaar
verbonden door het graven van onderaardse gangen. In een van de spelonken stroomde
nog steeds een klein beekje, zodat ook water altijd binnen handbereik aanwezig
was. De toegangen waren vernuftig gecamoufleerd door er kleine struiken voor
te planten, zodat niemand die er toevallig langs liep, de ingang zou ontdekken.
Bij een ervan had ik zelfs een soort grot gegraven onder de grond die dienst
kon doen als een primitief soort woning, deze grot was zodanig ingericht dat
zelfs een verblijf van langere tijd mogelijk was, in de loop der tijd had ik
allerlei gebruiksvoorwerpen uiteenlopend van een schep, een broek en jachtspullen
als strikken tot gedroogd eten meegebracht. Van gedroogd stro in een hoes van
lobon had ik een soort van matras gemaakt. Aan een vuurplaats had ik ook gedacht,
de plek daarvoor was op zo’n manier gekozen dat eventuele rook de toegang tot
de grot niet zou verraden. En zo was aan alles gedacht en was alles verborgen
zodat mijn grot maar niet ontdekt zou worden. Ik hield van namen geven aan alles
en iedereen, dus ook mijn grot: Onmutu.
    Altijd opnieuw genoot ik van de serene rust en stilte die
het woud uitademde, waar struiken en bomen gewoon groeiden waar ze het zelf
wilden, zonder dat er mensenhanden aan te pas kwamen om voor menselijk gevoel
orde te scheppen in de wildernis. Deze voor de mens vaak onbegrepen complexiteit
van de fauna die schijnbaar zo ordeloos geschapen lijkt, is toch volgens bepaalde
patronen opgebouwd, de ongerepte natuur. Bijna ongerept, want ik kwam er al
jaren, maar nooit vernielde ik iets in het woud. Als ik iets nodig had uit het
woud dan haalde ik dit ver van mijn schuilpaats en op een zodanige plaats dat
ik geen sporen achter zou laten voor eventuele andere mensen die het woud zouden
betreden.
    Voorzichtig als immer ging ik richting Onmutu, eerst de
hele omgeving met oog en oor afzoekend naar onraad. Eenmaal in de grot plofte
ik languit neer op mijn matras en begon mijn gedachten op een rijtje te zetten.
Ik dacht aan Bareelo en Lawritaff, aan alle pret die we samen altijd hadden,
aan die ene keer dat Bareelo bijna zijn been brak, bij de Ssyba, een rivier
even ten zuiden van Maltor.
    Bareelo, overmoedig als altijd, riep: ‘Wedden dat ik boven
in die boom kom?’ En prompt voegde hij de daad bij het woord en begon in de
boom te klimmen. De top van de boom was duidelijk niet sterk genoeg om het gewicht
van de jongen te kunnen dragen en ik probeerde hem te waarschuwen.
    ‘Bareelo, kijk nu toch uit, die boom is helemaal niet sterk
genoeg om jou te kunnen dragen!’ riep ik naar hem.
    ‘Onzin,’ riep Bareelo terug, ‘zo zwaar ben ik niet hoor.’
    Maar hoe hoger hij klom, hoe verder de boom doorboog. Ik
bedacht met schrik, als hij nu valt, breekt hij zeker een been, maar als hij
in de Ssyba zou kunnen vallen, heeft hij alleen een nat pak en komt hij met
de schrik vrij.
    Omdat Bareelo toch niet wilde luisteren, begon ik heel sterk
te denken dat de boom zou ombuigen naar boven de Ssyba en daar pas zou breken.
De boom stond namelijk aan de rand van rivier. Kort voordat de boomtop af zou
breken, raakte ik op een of andere manier in een soort trance en kreeg het idee
dat ik de top met mijn wil de goede kant op kon laten buigen.
    Net toen ik dacht dat de top zou gaan afbreken, boog de
top af naar de rivier, knapte af en Bareelo viel in het water. Het moment dat
de boomtop afbrak, drong op dat ogenblik eigenlijk niet meer tot me door. Helemaal
opgesloten in mijn eigen geest, kreeg ik geen waarneembare prikkels meer van
mijn omgeving. Bijna geen enkele zenuw had meer contact meer met de hersenen.
Alle energie werd opgeslorpt door de extase waarin ik zich bevond. De kracht
in mijn brein werd steeds verder opgevoerd totdat het punt werd bereikt dat
deze bijna ondraaglijk werd en niet verder kon expanderen. Op dat moment brak
de ban en op hetzelfde ogenblik zwaaide het resterende deel van de boomtop weer
terug in zijn oude positie. Geheel verdoofd door de schok van de terugkeer in
de normale wereld, zakte ik door mijn knieën op de grond. Lawritaff rende naar
de oever en ongerust schreeuwde hij naar Bareelo, maar die riep dat hij ongedeerd
was gebleven.
    Door alle consternatie hadden ze niet bemerkt wat er met
mij aan de hand was en toen ze eindelijk naar me toe gingen, was ik alweer bijna
geheel hersteld van de schok. Ik zat nog wel een beetje verdwaasd voor me uit
te kijken, maar dat schreven ze toe aan de spanning die enige ogenblikken geleden
nog zo overweldigend had geheerst. Opgewonden riepen ze tegen me dat het toch
wel een soort wonder was dat die boomtop plotseling in de richting van de rivier
draaide voordat hij afknapte.
    Ik was nog niet geheel bekomen van de trance en mompelde
iets in de trant van dat ik ook niet snapte hoe dat plotseling kon. Ik wist
echter zeer goed hoe dat kon: ik had het zelf gedaan! Maar dat kon ik hen niet
uitleggen, want ze zouden hoogstwaarschijnlijk niet begrijpen waar ik het over
had. Dus hield ik het voor me en antwoordde maar met wat vage kreten. Omdat
Bareelo en Lawritaff zelf zo opgewonden waren, merkten ze eigenlijk niet op
dat ik zo stil was.
    Eenmaal thuis werd in geuren en kleuren het verhaal opgedist
door de twee jongens. Opgewonden elkaar in de rede vallend, werden de gebeurtenissen
van die middag verteld. Iedereen was met stomheid geslagen door het incident.
Alleen enkele oudere bewoners van Maltor schreven het toe aan de toevallige
aanwezigheid van een magistrale Hoger die de jongen het leven gered had door
aan de boomtop te trekken.
    Later was ik teruggegaan naar de rivier en had ik nogmaals
geprobeerd de boomtop te bewegen. Dit keer echter was het me niet gelukt de
boom ook maar een halve dedon te verplaatsen. Wat ik toen nog niet wist, was
dat het concentratieniveau om zoiets te kunnen bereiken zeer hoog moet zijn.
Omdat als gevolg van de spanning de eerste keer de wil zeer sterk aanwezig was
om de top te bewegen, gelukte het me toen wel.
    Soms had ik vreemde dromen. Als ik ’s nachts droomde, kon
ik meestal deze droom herinneren tot maximaal een paar uur nadat ik was ontwaakt.
Ik had eens geïnformeerd bij anderen en dit scheen heel normaal te zijn. Maar
zo eens per half jaar droomde ik een droom die ik nog tot dagen later kon navertellen.
Sommige van deze dromen kan ik op dit moment nog steeds in een ogenblik tijd
visualiseren.
DE DROOM VAN HET VERLEDEN: Ik bevond me in een bosrijke omgeving. Aan mijn rechterzijde
liep een smal paadje slingerend tussen de bomen door. Rechts bevond zich een
klein meertje met daarachter een soort open vlakte die er duidelijk veelgebruikt
uitzag. Aan de overzijde van de vlakte bevond zich een bos. Een weggetje, zeker
zo breed dat er een kar over kon rijden, kwam uit op de vlakte. Ik merkte op
dat aan deze kant van het meer het bos geheel bestond uit loofbomen, maar dat
aan gene zijde alleen naaldbos was te bekennen. Ik liep voorzichtig het paadje
op in de richting van het meer. Na minder dan een halve fregan bereikte ik een
splitsing. Het ene pad liep verder in de richting van het dennenwoud, het andere
sloeg rechtsaf dieper het loofbos in. Omdat ik geluiden hoorde afkomstig uit
de richting van het rechter pad, besloot ik daarheen te gaan. De bomen leken
steeds dichter op elkaar te staan naarmate ik vorderde op het pad. Tevens werden
de geluiden harder. Het werd donkerder. Ik keek naar boven en zag dat de boomkruinen
hier zeer dicht waren, zodat er maar weinig zonlicht doordrong tot de grond.
Een bocht in de weg. Lawaai steeds luider. Toen zag ik wezens. Ze leken enigszins
op mensen, maar dan met veel meer beharing. Ze hadden een wat donkerroodgetint
uiterlijk en hun bouw was grover en meer gekromd. Ze hadden speren in hun handen
en vormden ingewikkelde figuren rondom een centrum waar zich iets bevond dat
ik niet goed kon zien daar een menigte wezens (ik had ze Krigons genoemd) het
aan mijn waarneming onttrok. Plots werd het stil en traden de Krigons terug,
zodat ik eindelijk kon zien, waar ze zo’n ophef over maakten. In hun midden
stond een grote bak met dikke verticale tralies, horizontaal erover zaten dunnere
tralies zodat de poten van het beest dat zich bevond in de bak er niet doorheen
konden. Ik zag een plat geschubd beest met een aantal lange dunne grijparmen.
Dit was beslist een aardgrol, de familie waartoe ook de huidige Bargol behoort.
In de stilte trad een van de Krigons naar voren. Hij was uitgedost met allerlei
ingewikkelde metaalachtige sculpturen, in zijn linkerhand had hij een lange
dunne speer. Naar ik aannam om de aardgrol ritueel te offeren aan hun god, maar
tot mijn verbazing gooide de hoofdman de speer met een boogje in de bak met
de punt op zichzelf gericht. De speer werd door de aardgrol in een oogwenk vastgegrepen
en opgegeten. Het leek wel alsof ze hem de speer ritueel schonken. Op dit punt
werd mijn geest plotseling aangevallen, het leek wel of iemand of iets mijn
brein in elkaar wilde duwen zoveel druk kwam er op te staan. Even was ik afgesneden
van de wereld. De druk werd langzaam opgevoerd en even plotseling als de aanval
kwam, was deze ook weer weg. Ik deed mijn ogen weer open en mijn omgeving kwam
als een schok op me af: ik bevond me niet langer in het bos! De bodem was bedekt
met een dunne grassoort en rondom mij was fregans ver niets anders te zien dan
wat kleine bomen en laag struikgewas. Ik keek omhoog en zag geen zon maar een
diffuus licht, overal even sterk zodat niet op te maken was waar het vandaan
kwam. Schaduwen waren niet te bekennen. Dan heel hoog in de lucht zag ik iets
verschijnen en met het verstrijken van de tijd werd het steeds groter. Maar
hoe groot het ook werd, het bleef van een onbestemde vorm. Eensklaps was er
een windvlaag die me tegen de grond deed smakken. De lucht verkleurde van geel
naar oranje en het ‘iets’ in de lucht kwam met een angstaanjagende snelheid
omlaag. Toen het neerstortte, barstte er een orkaan los, waarbij horen en zien
me verging. Even abrupt als het begon eindigde het en nadat ik mijn ogen had
geopend en om me heen keek, zag ik dat ik me in Maltor bevond in mijn eigen
slaapruimte. En ik hoorde de regen en wind tegen de wand van ons huis beuken.
    Maltor leefde voornamelijk van de opbrengsten van de Selle
en de vis uit de rivier Ssyba, die even ten zuiden van Maltor stroomde. Het
overgrote deel van de inwoners begaf zich niet buiten deze omgeving, de meeste
contacten met de rest van Fagonta kwam tot stand via de kooplui die door het
hele land reisden. Ze brachten voorwerpen mee die in Maltor niet te verkrijgen,
te maken of te verbouwen waren zoals allerlei metalen afkomstig uit de mijnen
van Malgro en bepaalde stoffen komend uit de streek Bral Krigo in het midden
van Fagonta als kyra, een waterdichte plantaardige stof en lobon, een zeer sterke
stof, geweven van de wol van Hulsers, een schaapachtig dier.
    De meeste handelslieden waren ook uitstekende verhalenvertellers.
Ze kenden verhalen en legenden uit alle landstreken en nadat de handel gedaan
was, werden ze altijd uitgenodigd voor het avondeten bij een familie. Daarna
werd door hen gewoonlijk een verhaal verteld uit een van de andere streken van
Fagonta en soms zelfs van daarbuiten. Een frequente gast bij ons was de zeer
sympathieke Randagi, hij was halverwege de dertig en had een dunne baard en
kort bruin haar. Hij was bruin verbrand door het vele reizen in de buitenlucht.
Zoals gewoonlijk was hij erg opgewekt toen hij Maltor weer eens een keer bezocht.
Ik rende naar hem toe en begroette hem enthousiast: ‘Hallo, koopman Randagi,
gaat alles goed met u?’
    ‘Ha, Ziburan,’ groette hij mij vrolijk als altijd terug,
‘ik heb me nog niet vaak beter gevoeld dan nu.’
    Die avond was hij onze gast en na het eten ging hij er eens
goed voor zitten en begon zijn verhaal.
    ‘Dit verhaal heb pas onlangs gehoord en is afkomstig uit
Malgro. Het is vreemd dat het zo lang heeft geduurd voordat ik deze geschiedenis
heb horen verhalen, omdat het de stichting van Malgro betreft. In vroeger tijden
leefde er een volk, de voorouders van het huidige Malgro. Er was een platte
berg gelijkend op de Stratagan. Er vlak naast, naast de aardval was een zeer
hoge toren gebouwd, iets uitstekend boven de hoogte. Aan de voet van de toren
was een bastion gebouwd met erom heen allerlei kleine woonhuizen. De omgeving
bestond aan een zijde uit een soort open bos waar de bomen in groepjes stonden
met een steppeachtige begroeiing. Aan de andere zijde groeide een zeer dicht
struikgewas met stevige struiken die meer leken op uitzonderlijk kleine bomen
dan op struiken. Dit volk, Lupanen genoemd, woonde daar rondom het bastion.
De toren fungeerde als uitkijkpost voor de gehele omgeving. Heerser over de
Lupanen was Lupin, men fluisterde dat hij magie bezat die hij tot leven bracht
in de kerkers onder de toren. Onder het dorp was een doolhof van geheime gangen
leidend naar allerlei geheime opslagplaatsen, zodat eventuele vijanden deze
maar niet zouden vinden. Op zekere dag barstte er een noodweer los, heviger
dan ooit tevoren. Door enorme regenval werd de hele bovenlaag van de hoogvlakte
weggespoeld en een nieuwe laag van los zand kwam boven. Gelukkig liep de modderstroom
niet door de woongemeenschap, zodat deze gespaard bleef. Het noodweer dat even
geluwd was, brak weer in volle hevigheid los, nu echter niet meer met een enorme
regenval, maar met een gigantische storm. De zandstorm die hier het gevolg van
was, bedolf het bastion gedeeltelijk en bepaalde delen werden zo zwaar overbelast
dat ze instortten. De hoge toren zwiepte heen en weer, maar brak niet. Op het
punt gekomen dat het bastion bijna helemaal onder het zand verdwenen was, begon
het te wankelen en stortte in stukken neer. Iedereen was inmiddels geëvacueerd
en schuilde in het open bos, waar een tijdelijk verblijf was ingericht. Lupin
was nog niet onder hen. Verschillenden vroegen zich af waar hij zich bevond.
    Plots riep iemand, “kijk eens naar de toren!”
    Een klein deel van de toren stond namelijk nog overeind.
En iedereen zag hoe een deel van het zand aan het wegzakken was en een ander
deel naar boven kwam. Uit het zand verscheen een enorm wezen zo hoog als tien
mensen met poten van zeker een gan groot. Het had een lang dun lichaam zonder
staart en een grote platte kop met een spitse snuit. Het had een onbestemde
lichte kleur en verspreidde een verschrikkelijke stank. Het kwam in de richting
van het open bos gelopen, waar het halt hield voor de vluchtende menigte, het
opende zijn bek en sprak tot ieders verbazing in de menselijke taal tot de angstige
lieden.
    “Beste mensen, dit monster heb ik, Lupin, opgewekt
in de kerkers onder het bastion, door de magie die ik sinds jaren mezelf heb
verworven. Dat het bastion en alles eromheen hierdoor verwoest zouden worden,
had ik niet kunnen voorzien noch voorkomen. Ik heb mijzelf in het lichaam van
deze verschrikkelijke creatuur moeten verplaatsen, om het te kunnen controleren.
Ik zal van deze plaats weggaan en er nooit meer terugkeren. Dat het een ieder
die deze ramp overleefd heeft, goed mag gaan.”
    Na deze woorden draaide het monster Lupin zich om en verdween
dreunend langs de hoogvlakte om nooit meer terug te keren precies zoals hij
gezegd had. De Lupanen zijn van hun verwoeste huizen weggetrokken om op respectabele
afstand het huidige Malgro te stichten. De overblijfselen van het Lupaanse bastion
zijn nog steeds te vinden, maar slechts weinigen wagen zich in de buurt omdat
men zegt dat de geest van Lupin er nog steeds rondwaart.’
    Toen Randagi zweeg, was iedereen even stil, onder de indruk
van het verhaal. In die stilte merkte Randagi op dat hij wel wat lustte om zijn
ingewanden nat te maken.
    ‘Maar natuurlijk mijn beste Randagi, met het vertellen van
zo’n mooi verhaal verdien je wel een goede verfrissing,’ riep mijn moeder uit.
    Hij likte zich al verlekkerd om de mond en niet veel later
stond een schuimende kroes bier voor hem. Deze handeling brak de ban en al gauw
barstten allen los en waren ze het er over eens dat deze vertelling een grote
verrijking was van de toch al kleurrijke geschiedenis van Malgro. De oudere
mensen bleven nog wat door praten terwijl de jongeren zich klaarmaakten om te
gaan slapen.
    De volgende dag was iedereen weer vroeg op om zaken te doen
met Randagi. Na de hele dag zaken te hebben gedaan, zocht Randagi mij op.
    ‘Hoi, Ziburan,’ groette hij mij, ‘ik heb nog een verassing
voor je. Enige tijd geleden was ik in de buurt van het Spadaveegha gebergte
in het mijnstadje Minimal en ik kwam daar iemand tegen die een bericht had voor
jou. Het is een bekende van jou en van mij.’
    ‘Lawritaff!’ riep ik uit, ‘is het waar, Randagi? Vond je
Lawritaff?’
    ‘Ja, Ziburan, ik kwam hem daar tegen. Zijn vader werkt daar
in een van de grote smederijen die de stad rijk is. Er wordt daar veel metaalerts
gedolven. Het werk in de smederijen is zwaar, en daarom betaalt het ook goed.
Lawritaff maakt het erg goed, mede omdat zijn vader enige tijd geleden is verstand.
Ze behoren nu tot de Midders. In deze kringen heeft Lawritaff een aardig meisje
gevonden en ze hebben elkaar lief. Hij vertelde dat hij binnen enige manen wil
gaan trouwen.’
    ‘Wauw, te gek, Randagi!’ riep ik uit, ‘ik had niet gedacht
ooit nog iets te horen van Lawritaff, één van mijn beste vrienden! Dat moet
ik mijn ouders vertellen als ik thuiskom.’
    Opgewonden nam ik afscheid en ging op weg naar huis. Ik
sloeg linksaf langs het handelshuis en nam de bocht zo kort dat ik bijna Eniri
omverliep, een meisje van mijn leeftijd met sprekende donkere ogen en lang,
zwart haar. Ik mocht haar graag en misschien nog wel meer dan dat. Ik hield
mijn vaart in, mompelde een verontschuldiging tegen haar en stak gelijk van
wal.
    ‘Eniri, je raadt nooit wat ik zojuist gehoord heb!’ riep
ik opgetogen uit, ‘Randagi vertelde me dat hij Lawritaff heeft ontmoet in Minimal
bij het Spadaveegha gebergte en hij maakt het er goed. Over korte tijd gaat
hij zelfs trouwen.’
    ‘Wat leuk dat we nog iets van hem horen terwijl we dat nooit
meer gedacht hadden. Ik hoop dat hij een goede tijd tegemoet gaat met dat huwelijk
in het vooruitzicht.’
    ‘Ja, dat hoop ik ook.’
    Toen aarzelde ik even. ‘Zeg, ik moet nu eerst naar huis
om het mijn ouders te vertellen, maar heb je zin om vanavond een stukje met
me te wandelen langs de Ssyba? Dan kunnen we nog wat verder praten.’
    Ze gaf gelijk antwoord: ‘Oké, zullen we afspreken bij de
dikke eik, waar we altijd speelden? Laten we zeggen als de zon op de holle eik
schijnt.’
    ‘Dat is goed, nu tot vanavond dan.’ En ik rende alweer verder.
    ‘Ja, tot vanavond,’ riep ze me nog na.
    Helemaal opgewonden stoof ik ons huis binnen, en riep: ‘Vader,
moeder, moeten jullie horen wat ik zojuist hoorde van Randagi! Hij heeft Lawritaff
ontmoet!’
    En af en toe struikelend over mijn woorden vertelde ik alles
wat ik van Randagi had vernomen.
    ‘Vanavond heb ik afgesproken met Eniri, om haar te vertellen
wat Randagi mij verteld heeft.’
    Mijn vader vroeg: ‘Is dat niet de dochter van Midder Okor,
de verfmaker?’
    ‘Ja, dat klopt. Vroeger hebben we vaak samen gespeeld.’
    Vol ongeduld wachtte ik op het moment dat de zon zover was
dat hij langs de Stratagan scheen op de eik. Precies op het punt dat de eerste
stralen de eik beschenen, kwam zij aan lopen. We begroetten elkaar en liepen
naast elkaar stroomopwaarts langs de Ssyba. Aanvankelijk praatten we volop over
Lawritaff, later over de dingen van alledag. Hoe verder we echter van Maltor
verwijderd raakten, hoe stiller we werden. Tenslotte bereikten we de eerste
stroomversnellingen.
    Nu ze erin had toegestemd om met me te wandelen, was de
eerste stap tot toenadering gezet. Nu moest de volgende gezet worden.
    ‘Weet je, Eniri, vroeger waren we vrienden en speelden we
vaak met elkaar. Naarmate we ouder werden, zagen we elkaar minder en minder,
wat ik zeer jammer vond. Want met het verstrijken van de tijd, vond ik je steeds
aantrekkelijker worden. Dat heeft mede invloed gehad op het feit dat ik je steeds
minder zag, omdat ik niet goed meer wist hoe ik met je om moest gaan. Nu heb
ik al mijn moed bij elkaar geraapt en ik wil je vragen: Wil je met mij verkeren?’
    Zij had in diepe stilte naar mij geluisterd en keek me als
versteend aan. Ik dacht dat ik iets heel doms had gezegd omdat ze niets zei
en alleen maar naar me staarde. Juist toen ik wat wilde gaan zeggen, verbrak
ze de stilte en gaf mij met trillende stem antwoord.
    ‘Ziburan, al die tijd ben je niet alleen geweest met je
gevoelens. Ook bij mij ontwikkelde zich zoiets. Ik heb het je nooit durven toegeven
en als je nu vanavond niets gezegd had, had ik er niets van gezegd. Ja, heel
graag zou ik met je willen verkeren. Nooit had ik gedacht dat wij....’
    Ze kon niet meer verder praten, omdat ik haar in mijn armen
had genomen en haar bijna platdrukte. Ze sloeg ook haar armen om mij heen en
piepte: ‘Je drukt me bijna plat, alsjeblieft, mag het ietsje minder?’
    Ik maakte mijn omhelzing wat losser en begroef mijn gezicht
in haar lange, zwarte haar. Ik was zo gelukkig als een jongen van 14 maar wezen
kan. Lange tijd bleven we zo staan. Tenslotte maakte ze zich gedeeltelijk los
uit mijn armen en keek me aan met haar fraaie donkere ogen. Ik kon me niet bedwingen
en vroeg of ik haar mocht kussen.
    ‘Natuurlijk mag je dat, niets liever.’
    En zo kusten we elkaar daar bij de rivier voor het eerst.
Na wat een eeuwigheid leek te duren, maakte ze zich los en zei: ‘We moeten ons
nu haasten, anders ben ik niet voor middernacht thuis en zullen ze zich thuis
ongerust maken.’
    Enigszins beneveld keek ik om me heen en moest haar gelijk
geven, want ongemerkt waren we een heel eind van Maltor verwijderd geraakt.
Dus haastten we ons terug naar de woongemeenschap.
Hoofdstuk 3 Volgende
    Midden in het Overstruikwoud was een grote open vlakte,
de Miradonvlakte, van minstens 3 bij 4 fregan. Deze vlakte was enigszins heuvelachtig
en voornamelijk bedekt met zand. Globaal van oost naar west liep een smal water,
meanderend en langzaam stromend. Ik liep daar eens samen met mijn oom, Briun
genaamd, ik was denk ik zo’n 8 jaar oud. Door verschillende prestaties was hij
geklommen van Lager tot Midder. Mijn zuster Rigana was zijn vrouw en ze waren
al enige jaren gelukkig samen. We waren eerst door het zuidelijk deel van het
Overstruikwoud gelopen en gekropen. Briun was zeker zo avontuurlijk als ik en
in zijn jonge jaren had hij de gehele omgeving al grondig onderzocht, mijn grot
Onmutu echter had hij niet gevonden. Zo ook de Miradonvlakte (dit is een woord
uit de oude spraak en betekent, zo weet ik nu, De vlakte der Al-eters), waar
zich gevaarlijke dieren bevonden en nog steeds bevinden. Deze vlakte was voor
de meeste mensen taboe, aangezien je er makkelijk kon sterven, maar niet voor
Briun. Hij kon precies vertellen waar de Bargol zich bevonden.
    Hij legde het mij uit: ‘Ziburan, je moet goed letten op
de structuur van het zand. Op de plaats waar zich een Bargol bevindt is het
zand op een iets andere wijze gerangschikt. Ik zal het je laten zien.’ Hij leidde
me naar en plek zo’n 50 passen verder.
    ‘De Bargol eten alles behalve zand, grond en rotsen, alles
wat dierlijk of plantaardig is, wenden ze aan voor hun levensonderhoud. Hier
vlak voor ons bevindt zich een Bargol, probeer maar eens de verschillen te vinden
met het zand achter en naast ons.’
    Ik keek en keek en na een minuut of 5 zag ik pas een verschil,
een miniem verschil weliswaar, maar toch een verschil.
    ‘Oke,’ zei Briun, ‘we lopen nu langs deze Bargol en dan
moet jij de volgende ontdekken. Loop maar in die richting,’ hij wees in oostelijk
richting, ‘ik waarschuw wel als je te ver loopt en in gevaar zou komen.’
    Na deze woorden begaven we ons in een langzaam tempo op
weg. Na ongeveer een halve fregan stopte ik plotseling, omdat ik onderbewust
iets voelde op mijn pad. Nauwgezet begon ik het zand te onderzoeken. Ik liet
mijn geest volledig vrij en voelde onwillekeurig waar de Bargol zich bevond.
Ik draaide een beetje naar rechts en wees zo’n 4 gan voor me.
    ‘Daar zit hij, Briun, ik voel het gewoon.’
    Hij knikte. ‘Ik weet niet hoe je het gevoeld hebt, maar
je hebt helemaal gelijk,’ en zei verbaasd, ‘ik stond al op het punt je tegen
te houden toen je zelf net stopte. Bargol hebben namelijk een reikwijdte van
een paar gan. Als ze prooi ontdekken zijn ze heel snel met hun lange grijparmen.
Er zitten een soort stekels aan, waar ze levende dierlijke prooi mee verlammen.
Eenmaal verlamd, ben je binnen enkele seconden naar hun muil gebracht en wordt
je in een mum van tijd verslonden.’
    ‘Maar merken de andere Bargol dan niet dat er ergens activiteit
is?’
    ‘Jazeker wel, maar ze bewegen zeer traag omdat ze de oppervlaktestructuur
van het zand niet verstoren, alleen hun grijparmen zijn snel. Ik zal laten zien
hoe snel.’ Hij liep naar een tak enige gan verder, raapte hem op. ‘Let nu goed
op, Ziburan, dan kun je zien hoe groot hun reikwijdte is.’
    Daarop gooide hij de tak op de Bargol. Met een onnoemelijke
snelheid stortte het schijnbaar zo massieve zand in elkaar. Een stel grijparmen
(het ging zo snel dat ik niet weet hoeveel) vloog naar de tak en voordat ik
drie keer met mijn ogen geknipperd had, was de tak verdwenen. Weer enige seconden
later was het zand weer vlak alsof er zojuist niets gebeurd was. Briun werd
een beetje overmoedig en ging een dikke zware tak halen, omdat hij wilde zien
hoe snel die weg zou zijn. ‘Ziburan, daar gaat hij dan.’
    Hij wierp de tak naar de Bargol, maar verloor daarbij zijn
evenwicht en.....viel binnen het bereik van de armen. Ik stond als verstijfd,
mijn lichaam deed niets meer. Mijn geest daarentegen sloeg op hol en ik raakte
in een trance. Even leek het alsof ik hem terugtrok, maar toen kwamen de armen
met gifstekels eraan. Een paar seconden later was alles voorbij en ik ontwaakte
weer. De tak weg en mijn oom, beide binnen enkele seconden uit mijn gezichtsveld
verdwenen en Briun uit mijn leven. Hij had geen kik meer gegeven. Op die plaats
beloofde ik mijzelf nooit zo onvoorzichtig te zijn bij de Bargol. Ik werd brenger
van slecht nieuws voor mijn familie en voor Rigana in het bijzonder. Zelfs op
dit moment nog treurt zij om de tragische dood van haar geliefde Briun.
Hoofdstuk 4 Volgende
    Enkele manen nadat Randagi was vertrokken, ging ik weer eens op speurtocht in het Overstruikwoud in de buurt van de Aardval waarde aardegift die Midder Aram en ik hadden bijgewoond, had plaatsgevonden. Dit deed ik al sinds de tijd dat ik alleen weg mocht. Altijd was er weer de spanning van nieuwe ontdekkingen. Nog wat dromend over de liefde in mijn prille leven drong ik een van de dichtstbegroeide gedeelten van het Overstruikwoud binnen. Langs de Aardval kwamen verschillende beekjes als kleine watervallen naar beneden. Al deze beekjes kwamen eindelijk uit in de Ssyba.
Hoofdstuk 5
    Ik moest voor mijn vader wel eens met paard en wagen naar
ons buurdorp, Maltrad, dat aan de handelsroute vanuit Malgro lag. Een reis van
een paar dagmarsen vanuit Maltor. Als het mogelijk was, nam ik Bareelo en Lawritaff
mee op dit tripje. Er was plaats genoeg op de kar voor ons drieën.
    Dus op zekere dag riep mijn vader mij en vroeg me de volgende naar Maltrad te gaan om een nieuwe voorraad ijzer voor de smidse te gaan halen. Dat was een kolfje naar mijn hand en natuurlijk wilde ik dat doen. Graag zelfs. Gelijk trommelde ik Bareelo en Lawritaff op, die ook wel voor een tripje te porren waren. Thuis vroeg ik mijn moeder om proviand te regelen en zelf ging ik de wagen gereed voor vertrek maken. Ons paard, Bles-hiver, was in goede conditie en ook zijn leidsels in de schuur zagen er spik en span uit. De volgende morgen was iedereen vroeg present, Bles-Hiver werd voor de wagen gespannen en we vertrokken naar Maltrad. De wegen rond ons geboortedorp waren niet erg goed onderhouden, want er veel verkeer kwam er nooit bij ons. Hooguit wat kooplui, zoals Randagi, en een verdwaalde bàrd of filidh. Vooral na een fikse regenbui waren de wegen moeilijk begaanbaar. Iemand op een paard kon wel vooruit komen, maar met een wagen was het wel eens moeilijk tot onmogelijk om te rijden. Gelukkig was het al een week droog geweest en was de weg in een goede conditie.
    We waren stel apart, Bareelo met zijn bijna witte haar, Lawritaff met zijn zwarte haar en ik met mijn bruine haar.
    ‘Ha”, riep Bareelo uit toen we een zonovergoten Maltor uitreden, ‘eindelijk weer eens weg! Het begon wat saai te worden na die lange winteravonden. Eindelijk beginnen de dagen weer te lengen en wordt het weer beter. Ik was die lange regenachtige dagen echt beu.”
    Lawritaff en ik beaamden dat volmondig.
    We vorderden goed, want de weg was behoorlijk goed voor de tijd van het jaar. De tocht voerde ons door het woud Coille Fuar, Het Koude Woud in de oude spraak, een redelijk uitgestrekt bos met redelijk brede paden erdoor, dat hier en daar doorkruist werd door stroompjes en snelstromende beekjes. Ook waren er her en der verspreid meertjes te vinden We hadden geluk dat het een hele week droog was geweest en dat het flink gestormd had zodat de weg goed had kunnen drogen. Maar net toen ik had gezegd dat we goed opschoten, rondden we een bocht in de kronkelige weg en zagen een omgevallen boom die ons pad versperde. Bareelo schold eens flink op de boom en we stapten van de wagen af. De boom was compleet ontworteld en dat maakte het wat makkelijker voor ons om hem weg te slepen. We zetten de wagen op de rem en spanden Bles-hiver uit. Hij moest ons helpen die boom te verslepen want die was veel te groot en zwaar voor ons drieën om te verplaatsen. We hadden een ijzeren ketting in de wagen liggen (altijd handig zo’n vader die smid is), bevestigden die aan de bespanning van het paard en het andere uiteinde aan de boom om wat dikke takken heen. Bles-hiver zette zich schrap, maar pas met de hulp van ons drieën lukte het om de boom in beweging te krijgen. Na minutenlang gesjor was de boom eindelijk zo ver versleept dat de weg weer vrij was. Hijgend liepen we terug, borgen de ketting weer op en besloten dat het tijd was voor het noenmaal.
    Na een korte maaltijd spanden we Bles-hiver weer voor de wagen en vertrokken, we hadden tenslotte een hoop tijd verloren met dat boomakkefietje. We reden door tot het begon te schemeren en stopten toen we een mooie beschutte plek vonden een klein stukje van de weg af. Er liep een smal paadje naartoe waar de wagen net op paste. Bles-hiver werd uitgespannen, en aan een boom vastgebonden met een lang touw. Er was genoeg gras voor hem. Aan een kant was een lage loodrechte rotswand waar we onze wagen naast zetten. We haalden ons tentdoek tevoorschijn en bevestigden dat aan de wagen zodat we een overdekte slaapplaats hadden.
    Bareelo had water horen stromen en ging eens kijken of hij onze watervoorraad kon aanvullen. Met gevulde veldflessen kwam hij teruglopen.
    ‘Dat stroompje hierachter komt uit op een meertje iets verderop. Een perfecte plek om een bad te nemen. Ik heb daar wel zin in na dat verslepen van die boom vandaag’.
    Lawritaff vond dat ook een perfect idee. Met zijn tweeën gingen ze het zweet afspoelen, terwijl ik een vuurtje ging maken om soep te maken. We hadden genoeg groenten meegekregen om wat lekkers te brouwen. Geheel opgefrist en met natte haren kwamen mijn 2 vrienden na enige tijd weer terug. ‘Ik vond nog wat bospeeën verderop,’ meldde Lawritaff, ‘die zal Bles-hiver wel lekker vinden. Morgen zal ik de rest halen voor onderweg’. En gooide een handvol bij het paard neer. Dit begon gelijk dankbaar aan de peeën te knagen. De soep was ondertussen ook klaar gesudderd. Bareelo pakte 3 kommen en een homp brood. Hij schepte ons allemaal een kom vol soep terwijl ik het brood verdeelde.
    Na het eten was het mijn beurt voor een bad. De anderen deden onderwijl de afwas in het stroompje. Dit stroompje had vast geen naam, maar aangezien ik alles namen gaf, had ik het Hyd’rag genoemd. Het meertje waar Hyd’rag in uitkwam, moest ook een naam krijgen, maar daarvoor moest ik het eerst even zien. Ik liep naar het meertje toe, dat zo’n paar honderd krag van ons kamp lag.
    Het was een rustige dag, met een zacht windje dat van opzij kwam, waardoor de struiken zachtjes ritselen en de bomen langzaam heen en weer bewogen. Ik gooide mijn kleren op de grond en stapte voorzichtig het water in dat verassend warm was voor de tijd van het jaar.
    Ik ging even kopje onder in het verkwikkende water. Weer boven komend wreef ik het water uit mijn haar en ogen. De naam van het mooie meertje kwam zomaar in me op: Batéh, dat klonk goed.
    Op dat moment hoorde ik geritsel van de andere kant van het meertje komen, en ik zag uit de schaduw van de bomen een slank meisje komen. Ik dacht dat ze iets ouder was dan ik. Haar huid was bruin verbrand alsof ze de hele zomer buiten was geweest. Het meisje was in het bezit van een enorme bos donker krullend haar. Ze had een doek bij haar en had een stuk zeep in haar hand, het was duidelijk dat ze voor hetzelfde kwam als ik. Zachtjes neuriënd legde haar meegebrachte spullen neer en ik hield mijn adem in toen ze haar kleren uitdeed en naakt voor me het water instapte. Een natuurlijk reactie voltrok zich op een bepaalde plaats van mijn lichaam, ik kreeg een warm gevoel van binnen en ik zakte nog wat dieper in het water alsof ik mij daar kon verbergen. Op dat moment begon mijn neus te kriebelen en een onbedwingbare nies kwam op. Het geluid van mijn geproest klonk onnatuurlijk hard in de avondstilte en verschrikt keek het meisje in mijn richting. Ik grijnsde eens naar haar omdat ik even woordeloos was.
    ‘H.h.hoi”, hakkelde ik.
    Met grote donkere ogen keek ze me aan en fronste haar wenkbrauwen. ‘Kon je me niet even waarschuwen? Dan had ik gewacht tot jij hier weg was”, snauwde ze naar me.
    Ik kon niets anders doen dan mijn schouders ophalen. ‘S.Sorry, ik ben er zelf nog maar korte tijd en was net even onder water toen jij aan kwam lopen. Ik had geen tijd meer om je te waarschuwen, je was zo snel’.
    ‘Ben je alleen of zitten daar in de bosjes je vriendjes zich ook aan mij te verlekkeren? Ik heb er geen behoefte aan om door de hele wereld zonder kleren bekeken te worden”. Ze keek nog steeds kwaad.
    ‘Nee hoor, mijn 2 vrienden zitten een stuk verderop bij ons kamp. Daar zul je geen last van hebben, die zijn op dit moment de afwas aan het doen.
    Zeg, het was echt niet mijn bedoeling om je te bespieden,’ ging ik verder. Maar ik vond het niet erg, dacht ik erachteraan met een glimlach.
    ‘Nou, ik hoop dat je er veel plezier van hebt gehad,’ zei ze bits.
    Wijselijk antwoordde ik niet, maar ik denk dat mijn rode hoofd boekdelen sprak.
    “Als je dan nu zo vriendelijk wilt zijn om je te verwijderen uit mijn gezichtsveld,’ beet ze me toe, terwijl ze zelf een inhammetje in waadde met alleen haar hoofd boven water. Er was daar wat lage struikbegroeiing die haar aan het oog onttrok. Mijn handdoek lag ook bij wat struiken die half in het water groeiden en zo kon ik me discreet uit het water hijsen. Dat was maar goed ook, want ik had geen zin om mijn opgewondenheid aan de hele wereld te tonen.
    Ik keek nog eens in de richting van het onbekende meisje, maar zag haar niet achter de struiken aan de overkant. Ik trok mijn kleren aan en ging vrolijk fluitend terug naar mijn kameraden van de Zibala.
    Bij mijn terugkomst waren Bareelo en Lawritaff Apscallion aan het spelen, een spel met een speelbord en stukken van verschillende gestileerde figuren. Nieuwsgierig naar hun verrichtingen zette ik me neer. Het was een moeilijk spel dat vele omwentelingen kostte om het goed onder de knie te krijgen. En de enige manier om het goed te leren was door het veel te spelen om zo alle tactische varianten uit te proberen. Het doel van het spel was het veroveren van het kasteel van de tegenstander. Regelmatig werden er wedstrijden georganiseerd in Maltor, meestal gewonnen door Tahg’Lor, de oude kleermaker, een zeer ervaren speler. Bareelo was er altijd al beter in geweest dan Lawritaff en ik. Ook nu won Bareelo, al was het nu eens wat moeilijker dan normaal.
    Het begon al donker te worden en morgen moesten we weer vroeg op pad. Het was nog een kleine twee dagen reizen naar Maltrad. We maakten onze slaapplaats klaar en zagen dat de lucht begon te betrekken, dat zou wel eens regen kunnen betekenen en minder snel opschieten dan verwacht.
    De volgende dag werden we later wakker dan anders. Grijze wolken hingen somber boven ons en het dreigde elk moment te gaan regenen. Snel ontbeten we en spannen Bles’hiver voor de wagen. Onze regenkleding lag zo voor het pakken mocht het gaan regenen. Tot het middaguur bleef ondanks de driegende donkere wolken toch droog. We wilden net een plekje gaan zoeken voor ons noenmaal, toen we een van de vele bochten van het pad door Coille Fuar ronden en een paard en wagen met huif aan de kant van de weg zagen staan. Op de groen begroeide open plek renden 2 kleine meisjes met blond haar rond. Bij de wagen zaten 2 mensen, een man en een vrouw. Ze leken net zo oud te zijn als onze ouders. Ze stonden gelijk op toen ze ons aan zagen komen rijden en verwelkomden ons glimlachend. We stopten we ons paard, zetten de wagen op de rem en sprongen van de wagen af om kennis te maken met dat vriendelijk lachend stel.
    ‘Hallo, ik ben Sìne en dit is en Dàibh”, stelde de vrouw zichzelf en haar man meteen vriendelijk voor, “en wie zijn jullie?’
    We stelden ons voor en Lawritaff vroeg of die 2 meisjes tweelingen waren.
    ‘Ja,’ zei Dàibh, ‘dat zijn ons 2 dochters Sh’Im en Oh’Neh. Ze zijn heel apart, maar dat zullen jullie zo wel merken.’
Necrafoloog data