Zoekt en gij zult vinden

De wind is guur, hij voelt zich zwak
Het stormt weer hard, daar vliegt een tak
De boom waait om, hij valt hard neer
Daar waait zijn droom, weg met het weer

Op berg en dal, daar zoekt hij haar
Hij vindt haar niet, hij heeft het zwaar
Zij ook op zoek, maar niet naar hem
Zij volgt haar weg, zij hoort een stem

Maar daar opeens, in duistre nacht
Zij zien elkaar, hij staat op wacht
Zij vindt haar schat op gene berg
Dat is voor hem, zij vindt het erg

Maar dan plotsklaps: een grote knal
Een grote flits door 't gans heelal

De antimaterie, zij stoppen met beven
Zij komen niet verder; het eind van hun leven